Met Azure Resource Manager (ARM) kunt u de onderdelen van een oplossing, zoals databases, virtuele machines en web-apps, in Azure beheren. In deze zelfstudie ziet u hoe u verificatie in Azure Active Directory inschakelt, een van de ARM-API's als een aangepaste connector registreert en hier vervolgens verbinding mee maakt in PowerApps. Dit is handig als u Azure-bronnen rechtstreeks vanuit een app wilt beheren. Zie Overzicht van Azure Resource Manager voor meer informatie over ARM.

Vereisten

Verificatie inschakelen in Azure Active Directory

Eerst moet u een AAD-toepassing (Azure Active Directory) maken die de verificatie uitvoert wanneer het ARM-API-eindpunt wordt aangeroepen.

  1. Meld u aan bij Azure Portal. Als u meer dan één Azure Active Directory-tenant hebt, zorg er dan voor dat u bent aangemeld bij de juiste map door te kijken naar uw gebruikersnaam in de rechterbovenhoek.

    Gebruikersnaam

  2. Klik in het menu links op Meer services. Typ Azure Active Directory in het tekstvak Filter en klik vervolgens op Azure Active Directory.

    Azure Active Directory

    De blade Azure Active Directory wordt geopend.

  3. Klik in het menu op de blade Azure Active Directory op App-registraties.

    App-registraties

  4. Klik in de lijst met geregistreerde toepassingen op Toevoegen.

    De knop toevoegen

  5. Typ een naam voor uw toepassing, laat Web-app/API geselecteerd en typ https://login.windows.net voor Aanmeldings-URL. Klik op Maken.

    Nieuw app-formulier

  6. Klik op de nieuwe toepassing in de lijst.

    Nieuwe app in lijst

    De blade Geregistreerde app wordt geopend. Noteer de toepassings-id. Deze hebt u later nodig.

  7. De blade Instellingen moet eveneens zijn geopend. Als dit niet het geval is, klikt u op de knop Instellingen.

    De knop Instellingen

  8. Klik op de blade Instellingen op Antwoord-URL's. Voeg https://msmanaged-na.consent.azure-apim.net/redirect toe in de lijst met URL's en klik op Opslaan.

    Antwoord-URL’s

  9. Klik op de blade Instellingen op Vereiste machtigingen. Klik op de blade Vereiste machtigingen op Toevoegen.

    Vereiste machtigingen

    De blade API-toegang toevoegen wordt geopend.

  10. Klik op Selecteer een API. Klik op de blade die wordt geopend op de optie voor de Azure Service Management-API en klik op Selecteren.

    Een API selecteren

  11. Klik op Machtigingen selecteren. Klik onder Gedelegeerde machtigingen op Access Azure Service Management as organization users en klik op Selecteren.

    Gedelegeerde machtigingen

  12. Klik op de blade API-toegang toevoegen op Gereed.

  13. Klik op de blade Instellingen op Sleutels. Typ op de blade Sleutels een beschrijving voor uw sleutel, selecteert een vervalperiode en klik op Opslaan. Uw nieuwe sleutel wordt weergegeven. Noteer de waarde van de sleutel, aangezien u die later ook nodig hebt. U kunt Azure Portal nu sluiten.

    Een sleutel maken

De verbinding toevoegen in PowerApps

Nu de AAD-toepassing is geconfigureerd, gaat u de aangepaste connector toevoegen.

  1. Selecteer op powerapps.com in het menu aan de linkerkant de optie Verbindingen. Selecteer het beletselteken (... ) en selecteer Aangepaste connectors beheren in de rechterbovenhoek.

    Tip: als u de optie voor het beheren van aangepaste connectors niet kunt vinden in een mobiele browser, bevindt deze optie zich mogelijk in een menu in de linkerbovenhoek.

    Aangepaste connector maken

  2. Selecteer Aangepaste connector maken.

    Eigenschappen van aangepaste connectors

  3. Typ een naam voor uw verbinding en upload het OpenAPI-voorbeeldbestand voor ARM. Klik op Doorgaan.

    Verbinding maken met een nieuw API-eindpunt

  4. Omdat het OpenAPI-bestand onze AAD-toepassing voor verificatie gebruikt, moet u in het volgende scherm enkele gegevens over de toepassing doorgeven aan PowerApps. Typ onder Client-id de toepassings-id van de AAD-toepassing die u eerder hebt genoteerd. Gebruik de sleutel als clientgeheim. Typ ten slotte https://management.core.windows.net/ voor Bron-URL.

    Belangrijk: zorg dat u de bron-URL exact toevoegt zoals die hierboven wordt weergegeven, inclusief de afsluitende schuine streep.

    OAuth-instellingen

  5. Uw aangepaste connector is nu geregistreerd en kan worden gebruikt in PowerApps of Microsoft Flow.

    Aangepaste connector toegevoegd

    Opmerking: het OpenAPI-voorbeeldbestand definieert niet de volledige set ARM-bewerkingen en bevat momenteel alleen de bewerking Alle abonnementen vermelden. U kunt dit OpenAPI-bestand bewerken of een ander OpenAPI-bestand maken met de online OpenAPI-editor. Dit proces kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot een RESTful-API die wordt geverifieerd met AAD.

Volgende stappen

Zie het Engelstalige artikel Create an app from data (Een app maken op basis van gegevens) voor meer uitgebreide informatie over het maken van apps.

Zie Een stroom in een app starten voor meer uitgebreide informatie over het gebruik van stromen in apps.

Word lid van onze community als u vragen of opmerkingen hebt over aangepaste connectors.